x

Nieuwsbrief november 2013


Geachte mevrouw/ heer, hierbij ontvangt u de nieuwsbrief VOS INTERIM. Met vriendelijke groet, Martin Vos.

Laag internetgebruik onder 75-plussers  (index...)
75-plussers hebben niets met internet. Ouderen voelen zich daardoor buitengesloten en afhankelijker dan ooit. Dit blijkt uit een recent onderzoek van EtopiaBdB gehouden onder 566 respondenten, allen 75-plussers. Bankfilialen worden gesloten, de Belastingdienst, (gemeente)loketten en zelfs het loket om de gehandicaptenparkeervergunning op te halen zijn nu of zeer binnenkort alleen nog maar digitaal te benaderen. CBS met het bericht dat het internetgebruik onder 65- tot 75-jarigen sterk is gestegen, maar in de kleine letters was te lezen dat slechts één op de drie 75-plussers zo nu en dan het internet gebruikt. Vrouwelijke ouderen gebruiken het internet eigenlijk helemaal niet. In Nederland zijn momenteel ruim 1,1 miljoen mensen deze leeftijd gepasseerd, bijna 750.000 van hen kunnen dus geen gebruikmaken van dienstverlening via internet.
Uit het onderzoek blijkt dat niet alleen de grote groep ‘digibeet’, maar ook de internetgebruikers van hogere leeftijd grote moeite hebben om zaken geregeld te krijgen. Zo weet slechts 1 op de 10 wat DigiD is en 1 op de 20 gebruikt het ook daadwerkelijk. Twee van de drie respondenten geeft te kennen dat ze volledig van anderen afhankelijk te zijn voor vrijwel alle administratieve taken en officiële handelingen door het gebrek aan (internet)kennis. Deze afhankelijkheid frustreert enorm, volgens 73 procent van de respondenten. Ondanks mooie workshops en cursussen voor ouderen geeft 82 procent aan dat ze internet eigenlijk niet goed begrijpen en ook niet verwachten dat daar nog verandering in zal komen. De achterstand op het gebruik van digitale communicatie is voor deze groep niet meer in te halen.

Bedrijven moeten meer doen om medewerkers minder te laten zitten  (index...)
Mensen die elke dag vele uren zittend doorbrengen, hebben 40 tot 60 procent meer kans om sneller te overlijden in vergelijking met mensen die maar weinig uren per dag zitten. Behalve een negatief effect op de stofwisseling, kan veel en langdurig zitten ook leiden tot klachten in spieren en gewrichten. Steelcase stelt dat werkgevers de faciliteiten moeten scheppen die minder zitten in de hand werken.
Mensen die gemiddeld meer dan elf uur per dag zitten, hebben 40 tot 60 procent meer kans om sneller te overlijden in vergelijking met mensen die minder dan vier uur per dag zitten. Dit geldt ook voor mensen die dagelijks trouw een half uur sporten, dit stelde gezondheids epidemioloog Hidde van der Ploeg. Hij doet zijn uitspraken op basis van verschillende wetenschappelijke studies in Australië, die zowel langlopende bevolkingsstudies als kortere onderzoeken naar stofwisselingsstoornis bij zitten en bewegen omvatten. De onderzoeker benadrukt dat het bij meer bewegen en minder zitten om onafhankelijke effecten gaat, de resultaten zijn met andere woorden bij elkaar op te tellen. Meer concreet betekent dit dat iemand die iedere dag een half uur sport, maar zittend werk heeft, dezelfde levensverwachting heeft als iemand die nooit sport, maar minder dan acht uur zit. Behalve een negatief effect op de stofwisseling, is teveel zitten ook op een andere manier belastend voor het lichaam. Dit blijkt onder meer uit verschillende studies die werkomgevingsspecialist Steelcase de afgelopen jaren heeft uitgevoerd naar kenniswerkers in relatie tot de werkomgeving. Annemieke Garskamp, Applied Research Consultant bij Steelcase: "Mensen die tijdens hun werk veel en langdurig zitten, ondervinden meer klachten van mechanische aard, zoals de bloedsomloop die afgekneld raakt in de knieholten, irritatie van de gewrichten of een pijnlijke wervelkolom. Uit onze recente posture-studie blijkt dat de kans op klachten alleen maar groter wordt, nu we door de bank genomen steeds langer en zwaarder worden. Vanuit ergonomisch oogpunt pleit Steelcase al jaren voor actiever zitten en regelmatig van houding veranderen. De uitspraken van Van der Ploeg vormen hiertoe een extra argument."
De trend dat steeds meer mensen 'mobile workers' worden, is in dit licht bezien dan ook alleen maar positief te noemen. Mobile workers werken niet langer alleen maar op kantoor, maar werken waar zij willen. Zij krijgen dus sowieso al meer lichaamsbeweging wanneer zij van de ene naar de andere werkomgeving gaan. Tegelijkertijd is er nog steeds een hele grote groep kenniswerkers waarvan de werkomgeving zich beperkt tot het kantoor. Maar ook voor hen zijn er verbeterpunten aan te wijzen. Volgens Garskamp kan deze groep mensen klachten deels voorkomen door zelf bewuster met zitten om te gaan: "In plaats van de telefoon te pakken of een mail te sturen naar een collega, kunt u net zo goed even naar zijn of haar bureau lopen."
De grootste winst ontstaat volgens Garskamp echter als ook de werkgever zijn verantwoordelijkheid neemt ten aanzien van het welzijn van zijn medewerkers en het regelmatig onderbreken van lange aaneengesloten zitperiodes stimuleert: "Steeds meer organisaties omarmen Het Nieuwe Werken en creëren een werkomgeving die voorziet in verschillende werkplekken voor verschillende taken. Als medewerkers kunnen kiezen tussen individuele werkplekken voor concentratietaken en samenwerkplekken voor meer creatieve werkzaamheden, stimuleert u automatisch dat mensen vaker van hun stoel komen. U krijgt op deze manier ook binnen de muren van het kantoor mobile workers. Ook zie je dat er steeds meer werkgevers faciliteiten scheppen in de vorm van zit-sta bureaus en actief zaken als staand vergaderen promoten. Het aantal 'verantwoordelijke werkgevers’'zal alleen maar verder toenemen,"  volgens Garskamp. "Het is namelijk niet alleen de medewerker, maar ook de werkgever die hier de vruchten van plukt. Want behalve dat gedurende de dag regelmatig van houding veranderen, een gunstig effect heeft op het welzijn van de medewerkers, zal het ook hun productiviteit en de kwaliteit van hun werk ten goede komen."

Waardering belangrijker dan salaris  (index...)
Werkgevers zijn door de crisis genoodzaakt hun personeel te vragen om salaris in te leveren. Werknemers vinden het salaris helemaal niet meer zo belangrijk, zij vinden het veel belangrijker om waardering voor hun werk te krijgen. Waardering wordt vaak over het hoofd gezien, maar anno 2013 willen mensen horen dat hun inzet de moeite waard is. Zo blijkt uit Europees onderzoek van StepStone
30 procent van de werknemers gaat op zoek naar een andere baan omdat ze bij hun huidige werkgever niet genoeg erkenning krijgen voor hun bijdrage. Managers onderschatten dit vaak. Werknemers vinden dat het hoogste management hier meer aandacht aan moet besteden. Waardering zou bijvoorbeeld getoond kunnen worden door middel van een beloningsprogramma, maar ook een woord van dank of alleen een schouderklopje kan al volstaan. Geld is blijkbaar minder belangrijk voor werknemers dan vaak wordt aangenomen. Slechts 28 procent van de ondervraagden vindt hun salaris een reden om op zoek te gaan naar een andere baan. Doorontwikkeling en carrièreperspectieven scoren overigens nog hoger als redenen om op zoek te gaan naar een andere functie.
Het is als werkgever dus erg belangrijk om waardering te tonen aan werknemers. Hierdoor zullen werknemers zich prettiger voelen op hun werk en dit heeft weer een positieve invloed op hun werkprestaties. Ook gaan ze hierdoor minder snel op zoek naar een andere baan, waardoor het bedrijf kosten bespaart op werving en het inwerken van nieuw personeel. StepStone Nederland, geeft aan dat positieve coaching van werknemers zich altijd terugverdient. Het onderzoek van Stepstone is gehouden in zeven Europese landen Oostenrijk, België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Nederland en Zweden. Aan 798 organisaties werd hun mening gevraagd over wervingsprocessen en 21.262 werkzoekenden deelden hun ervaringen over het zoeken naar een baan.

Interimmer werkt steeds langer voor opdrachtgever  (index...)
De duur van een gemiddelde interimopdracht wordt steeds langer. Waar een interim-opdracht in 2010 nog gemiddeld 9,5 maand bedroeg, is deze nu gemiddeld 12,3 maanden. In veertien procent van de gevallen duren opdrachten zelfs langer dan twee jaar. Zo blijkt uit de tiende editie van de Interim Index van Schaekel & Partners en Nyenrode Business Universiteit. In het onderzoek geven 554 interim professionals en managers hun visie op hoe de markt zich in de tweede helft van 2013 ontwikkelt. Zij zijn gemiddeld tien jaar werkzaam als zelfstandig ondernemer. Voor veel organisaties geldt dat nauwelijks nog goed zichtbaar is wie in- en extern is. Opdrachtgevers kiezen vaker voor de persoon, los van de constructie (tijdelijk of vast). "Tijdelijke opdrachten die langer duren hebben gevaar in zich," zo stelt Piet Hein de Sonnaville, partner bij Schaekel & Partners. "Minder scherp naar de output, meer werknemersgedrag en minder focus op de eigen rol van ondernemer". Gevaren voor opdrachtgever en opdrachtnemers dus. Deze steeds duidelijk zichtbaar wordende trend tekent zich in de arbeidsmarkt af. ‘Waar wij altijd de tweedeling zagen tussen vast en interim, ontstaat langzaam maar zeker een hybride vorm van beide. Het geeft individuen en organisaties grote kansen en meer flexibiliteit, maar het adequaat omgaan met deze trend, is een zoektocht voor beide. Vooralsnog zien wij dat heel veel organisaties werken met alle drie de vormen, maar er niet altijd even consequent naar handelen", aldus De Sonnaville.
Tevredenheid over het bestaan als zelfstandige, zo blijkt uit onze onderzoeken, is niet conjunctuurgevoelig. De leeftijdscategorie 35-44 jaar is het meest tevreden over het zelfstandig ondernemerschap (rapportcijfer 8 versus gemiddeld 7,5). Dit cijfer is constant door de jaren heen, ook toen de crisis zich nog niet openbaarde.
Respondenten die naast het zelfstandig ondernemerschap nog additionele, betaalde activiteiten hebben in de vorm van een vaste baan zijn het minst tevreden over het zelfstandig ondernemerschap. Hun tevredenheid over het zelfstandig ondernemerschap waarderen zij met een rapportcijfer 5,9.

Ruim de helft van de menselijke energie lekt weg uit organisaties  (index...)
Terwijl de tegenwind van de crisis guurder is dan ooit en de prestatielat alsmaar hoger wordt gelegd, werkt Nederland op halve kracht en laat het veel kansen liggen. Ruim de helft (51 procent) van de menselijke energie lekt weg uit organisaties. Slechts één op de vijf werknemers (negentien procent) is energiek gestemd en bereid om er extra tandje bij te zetten. Meer dan een derde (38 procent) vindt het allemaal best zoals het momenteel gaat en ruim een derde (34 procent) werkt zich een slag in de rondte, zonder dat dit veel resultaat oplevert. Bijna één op de tien werknemers is helemaal afgehaakt. Dit zijn de onthutsende cijfers uit een onderzoek verricht door bureau Integron in samenwerking met Hans van der Loo onder ruim 1.800 Nederlandse werknemers in alle branches en van alle leeftijden. De grap van de manager die gevraagd naar het aantal mensen dat er in zijn bedrijf werkt ‘ongeveer de helft’ noemt, blijkt op waarheid te berusten. Omdat energieverlies zich automatisch in lagere prestaties vertaalt, is dit slecht nieuws. Om een indicatie te geven van het potentieel dat momenteel in Nederland als gevolg van energieverlies onbenut blijft, van de betrekkelijke kleine groep energieke werknemers zegt 70 procent het beste uit zichzelf te halen. Bij de resterende werknemers ligt dit percentage ergens rond de 25 procent. Die hogere inzet van energieke werknemers vertaalt zich in resultaten die minstens veertien procent hoger liggen dan gemiddeld. Wat dit voor de Nederlandse economie betekent, wordt later in het artikel duidelijk. Waar komt dit energieverlies in organisaties vandaan? Het onderzoeksrapport laat eerst waar het niet vandaan komt. Het komt niet omdat werknemers onvoldoende bevlogen zijn of onvoldoende met elkaar zouden samenwerken. Hoewel het natuurlijk altijd beter kan, zijn de resultaten in vergelijking met bijvoorbeeld Amerikaans of Brits onderzoek betrekkelijk positief. Het probleem ligt op twee andere vlakken. Ten eerste blijkt dat werknemers in Nederland nauwelijks nog naar buiten kijken. De focus ligt blijkbaar op interne besognes. De deuren en ramen zijn gesloten, slechts één op de tien werknemers zegt een sterk oog voor verrassende trends in de omgeving te hebben. Waar prikkels van buitenaf geen stimulans zijn om in beweging te komen, gaat uiteraard energie verloren. Maar dat is niet alles. Er is namelijk nog een tweede factor die tot fors energieverlies leidt, het ontbreekt aan lange termijn ambities. Er is geen richting, de waan van de dag overheerst. Als die richting er wél is, wordt verzuimd om ambities in concrete gedragsvoornemens te vertalen. Er zijn dan wel strategische doelstellingen, maar die staan op papier en niemand weet wat ze ermee moeten doen. Het item ‘ik word geïnformeerd over de gekozen strategie’ wordt door werknemers dan ook met het lage gemiddelde cijfer van 6,2 gewaardeerd. Uiteraard is de energie misère niet overal even groot. Er zijn branches waar het beschikbare energiepotentieel bovengemiddeld wordt benut (professionele dienstverlening), maar daar staan ook weer sectoren tegenover waar dat beduidend slechter gebeurt (financiële dienstverlening, transport, bouw, installatie). Ook als men kijkt naar functieniveaus ziet men enorme verschillen. Zo zegt 58 procent van de directieleden en het hogere management energiek en positief gestemd te zijn. Op het niveau van het middenmanagement is dat percentage nog niet de helft en op de werkvloer is het veertien procent. Geslonken. De verschillen kunnen nóg verder uitvergroot worden, wanneer de best en de slechtst scorende respondenten tegenover elkaar worden geplaatst. De groep met extreem weinig energie zegt uitsluitend negatief over zijn organisatie te denken, geen enkel vertrouwen te hebben in zijn leidinggevenden en nauwelijks enig toekomstperspectief te zien. Een extreem beeld? Ja, maar het gaat wel op voor ongeveer 40.000 werknemers in Nederland. Hoe anders is het gesteld bij werknemers die extreem hoog qua energie scoren. Die zijn juist zeer positief over hun organisatie, hebben veel vertrouwen in hun leidinggevenden en zien juist volop toekomstmogelijkheden. Gelukkig is deze groep groter, namelijk 350.000 werknemers.
Energieverlies vertaalt zich in lagere prestaties. Vertaald in cijfers: wanneer bedrijven en organisaties in staat zouden zijn om het energieverlies tot aanvaardbare proporties te beperken, zou het BNP met maar liefst 41 miljard euro stijgen. Dat is bijna het zevenvoudige van wat er momenteel aan bezuinigingen op tafel ligt.
Hoe kan het energiepotentieel dat momenteel ongebruikt verloren gaat beter worden benut? In de eerste plaats doordat organisaties zich beter bewust zijn van het belang van energie voor prestatieverbetering. In de sport weet men dat allang, maar in organisaties is ‘energiemanagement’ nog steeds een blinde vlek. Daarnaast zou er meer aandacht gegeven moeten worden aan ‘zachte’ energie- en prestatie bevorderende maatregelen. Nu gaat alle aandacht vaak uit naar structuren, systemen en harde controles. Dat gaat ten koste van aandacht voor medewerkers (in het onderzoek gewaardeerd met een 5,7), het bieden van doorgroeimogelijkheden (gewaardeerd met een 5,6) en het inspireren van medewerkers (een 6,4). Uiteindelijk leidt dit tot energieverlies. In de derde plaats moeten gerichte acties binnen organisaties worden ondernomen om het oog op de buitenwereld te verbeteren. Werknemers krijgen nu te weinig positieve prikkels vanuit de omgeving. In een tijd van snelle en ingrijpende veranderingen is dit ontoelaatbaar. Naast de blik naar buiten is ook het formuleren en nastreven van lange termijn ambities een must. In organisaties en bedrijven wordt veel te ongericht gewerkt. De focus ontbreekt, waardoor de energie diffuus wordt benut. Het stellen van forse ambities en vooral ook het vertalen van daarvan in concreet gedrag is iets wat organisaties zich in versneld tempo eigen moeten maken.
Tot slot zijn er ook organisaties die het qua energie en prestaties wél goed doen? Jazeker! Hoewel deze bedrijven niet direct in het onderzoek zijn betrokken, kan in dit verband verwezen worden naar grote en bekende ondernemingen als Google, Starbucks en Unilever. Maar ook betrekkelijke nieuwkomers als retailer Coolblue en bedrijven in de professionele dienstverlening als SAS en Ormit zijn voorbeelden van energiek en hoog presterende organisaties. Niet alleen tussen, maar ook binnen bedrijven bestaan vaak grote verschillen. Bij Rabobank is bijvoorbeeld sprake van een verschil van bijna 60 procent tussen de meest en de minst klantgerichte vestiging. De producten, de prijs en het merk zijn voor alle vestigingen identiek. Het verschil kan hem alleen maar zitten in energie en gedrag. Met die wetenschap dat het slecht gaat en beter kan, moet men aan de slag gaan, zeggen de onderzoekers in hun rapport.

Jongeren positiever richting 2014 dan ouderen  (index...)
Nederlanders zijn gelukkig, geven het jaar tot nu toe een voldoende maar liggen 's nachts wel eens wakker. We verwachten dit jaar geen grote tegenvallers meer, wel denken we dat economisch herstel nog op zich laat wachten. Jongeren kijken positiever vooruit dan ouderen. Dat blijkt uit onderzoek door Multiscope, dat 1.000 consumenten vroeg naar hun 2013 tot nu toe, en de verwachtingen voor de komende drie maanden. Maar liefst 89 procent van de ondervraagden geeft aan gelukkig te zijn. Toch geeft men het jaar tot nu toe slechts een magere voldoende (6,8). Jongeren tussen achttien en 24 jaar zijn het meest positief over 2013. Zij geven het jaar gemiddeld een 7,2. Ouderen zijn minder positief en geven 2013 een 6,6. Wel liggen jongeren 's nachts vaker wakker omdat ze piekeren over de toekomst. Meer dan driekwart (77 procent) van de jongeren geeft aan hier weleens last van te hebben, bij 55-plussers is dat 59 procent. Veel voorkomende negatieve ervaringen dit jaar waren financiële tegenvallers, het overlijden van een dierbare en onzekerheid over het behoud van werk. 22 procent van de ondervraagden heeft enigszins angst zijn baan te verliezen. De meeste mensen (63 procent) zien hun persoonlijke situatie in de rest van 2013 niet veranderen. Negentien procent denkt dat het vierde kwartaal van 2013 iets positiefs brengt. Ook hier zijn jongeren positiever dan ouderen. Van de achttien tot 24-jarigen denkt 30 procent dat de rest van 2013 positiever zal uitpakken dan tot nu toe het geval is. Bij 55-plussers is dat slechts dertien procent. Vooral over hun financiële situatie maken jongeren zich een stuk minder zorgen. Ruim een kwart (27 procent) denkt dat deze dit jaar nog zal verbeteren tegenover slechts vijf procent bij de ouderen. 43 procent van de ouderen denkt zelfs dat hun financiële situatie slechter zal worden, van de jongeren denkt iets minder dan een kwart dit. Het meest kijkt men uit naar de feestdagen, een geplande vakantie of de start van een nieuwe baan. Bijna de helft (46 procent) denkt dat de crisis nog twee á drie jaar gaat duren. Onder de ouderen denkt ruim een derde zelfs dat het nog langer dan vier jaar duurt tot Nederland er weer bovenop is. Onder jongeren is dit slechts negentien procent. Prinsjesdag heeft het vertrouwen in de Nederlandse economie geen goed gedaan. Waar vóór Prinsjesdag nog vijftien procent dacht dat we binnen een jaar uit de crisis zouden zijn, is dat na Prinsjesdag nog maar tien procent. Het meest negatief zijn we over onze pensioenen. Driekwart denkt dat het in de komende maanden alleen maar slechter zal gaan met onze pensioenen. Andere zaken waar men erg somber over is, zijn de sociale zekerheid en de koopkracht. Positief is men over de huizenmarkt. Slechts zestien procent denkt dat deze nog verder verzwakt in 2013. Vooral over de ontwikkelingen omtrent werkgelegenheid, consumentenvertrouwen en koopkracht denkt men na Prinsjesdag nog negatiever dan daarvoor. Een positieve invloed hadden de plannen die op Prinsjesdag gepresenteerd zijn op de meningen over de gezondheidszorg.

Bedrijf hecht minder belang aan HR  (index...)
HR-professionals vervullen een steeds minder belangrijke rol binnen organisaties. In drie jaar tijd zijn de uitvoerende, administratieve en registrerende werkzaamheden van HR-professionals toegenomen van twintig procent naar 34 procent. De adviserende, aansturende of beleidsbepalende rol is in dezelfde tijd gedaald van 80 procent tot 66 procent. Dit blijkt uit het jaarlijkse onderzoek ‘HR Trends 2013-2014’, een onafhankelijk, representatief onderzoek van ADP Nederland, Berenschot en Performa Uitgeverij onder meer dan 1.000 Nederlandse HR-professionals. HR Trends is daarmee het grootste onderzoek onder HR-professionals in Nederland. Opvallend is dat HR-professionals ook bij zaken waarin hun expertise goed van pas komt, geen bepalende of sturende rol hebben, maar meer uitvoerende taken. Zo is de rol van HR bij reorganisaties voor slechts 27 procent adviserend en acht procent initiërend. Daarentegen is bijna de helft (47 procent) van de taken bij een reorganisatie participerend en achttien procent uitvoerend. De meer uitvoerende rol wordt niet als verlichting ervaren. Door verschuivingen binnen het takenpakket ervaren veel HR-professionals (68 procent) een verzwaring van hun functie. Tegenover de toenemende werkdruk staat geen grote loonsverhoging of promotie. De gemiddelde loonstijging in 2013 was 1,9 procent. Dit is hoger dan vorig jaar werd gedacht, maar ligt beduidend lager dan de loonstijging van de afgelopen jaren. Voor het komende jaar verwachten de HR-professionals een gemiddelde loonstijging van 1,2 procent. Afgezet tegen de inflatie gaan zij er in koopkracht dus op achteruit. Slechts één op de vijf (21 procent) HR-professionals heeft de afgelopen twee jaar promotie gemaakt. Dit is een dalende lijn: in 2010 gaf bijna 30 procent van de HR-professionals aan promotie te hebben gemaakt in de twee jaar daarvoor. Voor de komende twee jaar verwachten nog minder HR-professionals promotie te maken (vijftien procent). Hoewel verschillen in beloning op basis van geslacht wettelijk niet mogen, verdienen mannelijke HR-professionals nog altijd veertien procent meer dan hun vrouwelijke collega’s. Zo verdienen mannelijke salarisadministrateurs jaarlijks gemiddeld € 7.700 meer dan vrouwelijke salarisadministrateurs met dezelfde leeftijd en ervaring. De verschillen zijn met 13.600 euro het grootst tussen mannelijke en vrouwelijke HR-adviseurs. Mannen in die functie zijn gemiddeld wel ouder dan vrouwen, maar de werkervaring is nagenoeg gelijk. Mannen maken daarnaast vaker dan vrouwen aanspraak op een bonus- of winstuitkering. Ook beschikken ze vaker over een auto van de zaak. Vrouwen daarentegen hebben in de afgelopen twee jaar vaker promotie gemaakt dan mannen.
Over het algemeen worden HR-professionals in de non-profit sector beter beloond dan in de profit sector. Uitzondering hierop vormen HRM directeuren en salarisadministrateurs. Ondanks het pessimistische vooruitzicht op salarisverhoging of promotie en het feit dat de rol van HR minder belangrijk wordt binnen organisaties, zijn de meeste HR-professionals niet van plan een andere baan te zoeken. Nog geen kwart van hen (22 procent) is van plan om binnen een á twee jaar van baan te veranderen. Dit is een lichte toename ten opzichte van 2012, maar nog altijd onder de trend, waarbij tot 2011 25 procent van de HR-professionals aangaf van baan te willen switchen. Van de personen die aangaven van baan te willen veranderen heeft iets meer dan de helft (55 procent) actief gesolliciteerd op een andere baan. Dat was vorig jaar nog 61 procent.
De slechte economische omstandigheden zorgen ervoor dat meer HR-professionals voor zekerheid kiezen bij hun huidige werkgever. Zelfs een groot deel (45 procent) van de HR-professionals die liever een andere baan heeft, blijft de crisis uitzitten bij zijn huidige baas. Meer dan de helft (57 procent) van de HR-professionals werkt al vijf jaar of langer voor dezelfde organisatie. Eén op de vijf (20 procent) bekleedt al meer dan tien jaar de huidige functie.

HR mist steun van management bij strategische personeelsplanning  (index...)
90 procent van de HRM'ers vindt dat er niet kan worden gewacht met strategische personeelsplanning. Dat wordt vooral gekoppeld aan de employability van werknemers. De steun van het management wordt hierbij node gemist. Dat blijkt uit onderzoek door het Platform Over Personeelsplanning. De inzetbaarheid van werknemers is voor 37 procent van de respondenten de redenen om je te verdiepen in strategische personeelsplanning. Vergrijzing komt met zeventien procent op een verre tweede plaats. Wettelijke veranderingen zoals de verhoging van de pensioenleeftijd of verandering van het ontslagrecht, zit daar met een krappe vijf procent nog weer een stuk onder. Ondanks de veranderingen waarmee organisaties worden geconfronteerd, zegt acht procent van de respondenten dat strategische personeelsplanning kan wachten tot 2015. Twee procent meent dat de roerige afgelopen jaren hebben bewezen dat het niet mogelijk is om te plannen voor de lange termijn. HR'ers hebben vaak het gevoel alleen te staan in hun gevoel van urgentie als het gaat om strategische personeelsplanning. Slechts een op de vijf (21,6 procent) van de respondenten zegt dat het managementteam hier grote prioriteit aan geeft. Bijna twee keer zo veel (39,7 procent) zeggen die prioriteit niet te zien in de top van het bedrijf.
Jacco van den Berg - bedrijfseconoom, oprichter van Van den Berg Training & Advies en auteur van het boek Overspoeld door schaarste - herkent veel van de uitkomsten van het onderzoek. Hij vreest dat HR soms een roepende in de woestijn is als het gaat om het belang van strategische personeelsplanning. "Weten deze HRM-ers hoe het MT en de lijnmanagers ‘er in zitten’? Voor hen regeert de waan van de dag en zijn de zorgen voor morgen. Zij sturen, de goeden daargelaten, meer op kwartaalcijfers en ze zijn te druk voor het ontwikkelen van een lange termijn perspectief."
De enige oplossing is samenwerking, stelt Van den Berg. "HR heeft de kennis en overview over de organisatie-onderdelen maar de input moet toch echt van de lijn komen. Stop dus met naar elkaar wijzen. Ga naast elkaar staan en werp een blik op de toekomst. Bepaal samen wat nu nodig is om klaar te zijn voor de alsmaar veranderende toekomst."

E-mail is favoriet reclamekanaal  (index...)
Consumenten ontvangen reclame het liefst via e-mail, vooral 55-plussers bekijken dergelijke mail vaak. Dat blijkt uit onderzoek van e-mailmarketingbureau Blinker onder bijna duizend Nederlanders. Van de respondenten geeft 68 procent aan bij voorkeur reclame via e-mail te krijgen. Dit kanaal is voor het overgrote merendeel (negentig procent) ook favoriet voor het ontvangen van serviceberichten als transactiebevestigingen van een webshop, of productinformatie. Gemiddeld ontvangen de respondenten 96 e-mails per week. De meerderheid daarvan (39 stuks) bestaat uit reclame. Opvallend is dat vooral respondenten in de leeftijdscategorie van 55 tot 64 jaar dergelijke mailings krijgen, van de 135 e-mails die zij per week ontvangen, is 57 reclame. “Mogelijk schrijven zij zich minder vaak uit voor aanbiedingen of zijn ze koopkrachtiger en hebben ze meer tijd om alles goed te bekijken”, denkt Blinker. Uit de peiling blijkt dat driekwart van de ondervraagden (79 procent) ‘s avonds zijn mail checkt. Dat komt overeen met de Nationale E-mail Benchmark van Dutch Dialogue Marketing Association (DDMA). Uit dat eerdere onderzoek blijkt dat de meeste e-mails echter overdag worden verzonden. “E-mailmarketeers doen er goed aan om hun verzending beter af te stemmen op het leesmoment van de consument”, aldus Blinker. In de peiling gaf twintig procent aan dat ze via direct mail op de hoogte willen blijven van aanbiedingen. Zes procent ontvangt reclame het liefst via Facebook. Slechts een procent wil aanbiedingen via andere social media-kanalen als WhatsApp en Twitter tegenkomen. Bijna alle respondenten (97 procent) schrijven zich in voor nieuwsbrieven. Meer dan tweederde geeft aan wel eens een aankoop te hebben gedaan naar aanleiding van een ontvangen e-mail. Het afgelopen jaar deed 54 procent dat twee tot vijf keer. 

MKB'er ook druk bezig naast de zaak  (index...)
De meeste Nederlandse MKB'ers lopen thuis niet weg voor huishoudelijke taken. Meer dan de helft (57 procent) steekt na het werk de handen uit de mouwen. Wel hebben mannelijke ondernemers hun voorkeuren. Zo maken vrouwelijke ondernemers veel vaker de wc schoon dan mannelijke collega's (60 procent versus 24 procent). Mannelijke ondernemers doen vooral klussen in en om het huis, doen de administratie en zetten de vuilnis voor aan de weg. Dit blijkt uit onderzoek van BusinessCompleet onder 614 ondernemers (467 mannen en 147 vrouwen), merendeels HBO/WO opgeleid (447 deelnemers). 79 procent woont samen, 48 procent heeft thuiswonende kinderen. De meeste ondernemers maken meer uren dan een normale werkweek van 40 uur. 25 procent geeft aan 40 tot 50 uur per week te werken, 21 procent 50-60 uur en elf procent zelfs meer dan 60 uur per week. Dat er zoveel uren worden gemaakt, komt vooral doordat er in de weekenden wordt gewerkt. Bijna de helft van de ondernemers werkt af en toe in het weekend, maar liefst 22 procent werkt dan minimaal een dagdeel. 32 procent geeft aan gemiddeld zes tot tien uur per weekend voor de zaak bezig te zijn. De deelnemers houden zich gedurende de werkweek vooral bezig met uitvoerende werkzaamheden (productie en verkoop 35 procent, werven nieuwe klanten twintig procent en administratieve taken en verplichtingen negentien procent). Vooral de administratieve taken zien nogal wat ondernemers als een last. 29 procent geeft aan dat ze hieraan liever minder tijd zouden willen besteden. Een derde van de deelnemers geeft aan dat ze meer tijd zouden willen besteden aan het werven en bezoeken van nieuwe klanten. Een druk ondernemersbestaan weerhoudt veel ondernemers er niet van om nog een andere functie te vervullen. 48 procent geeft aan actief te zijn in een andere functie. Bij deze groep scoort bestuurslid hoog met 30 procent, 25 procent is vrijwilliger en tien procent maakt tijd vrij voor het geven van training bij een sportclub. Als te weinig tijd een issue is, dan komen al snel de huishoudelijke hulpen om de hoek kijken. Iets meer dan de helft van de ondernemers huurt mensen in. Hierbij is dan wel de kinderopvang meegerekend. De schoonmaker is populair met 21 procent, vooral als de partner fulltime of parttime buitenshuis werkt. Over het algemeen proberen de ondernemer en zijn/haar partner het huishouden echter zelf te runnen. Op de vraag 'wie zorgt bij jou/jullie voornamelijk voor de huishoudelijke taken' antwoordt slechts drie procent 'Daar huur ik anderen voor in'.
Zoals al even gesteld, zitten er nogal wat verschillen in de klusjes die mannen en vrouwen doen. Wat resultaten uit de reeks van bijna twintig huishoudelijke taken:
  • Mannen brengen het vuilnis weg (70 procent versus 33 procent)
  • Mannen doen meer klusjes om en aan het huis (67 procent versus 26 procent)
  • Vrouwen wassen en drogen vaker de kleding (67 procent versus 20 procent)
  • Vrouwen ruimen vaker het huis op (71 procent versus 46 procent)
  • Vrouwen verschonen vaker de bedden (65 procent versus 28 procent)
  • Vrouwen maken ook vaker de badkamer schoon (60 procent versus 26 procent)
  • Vrouwen stoffen vaker af (56 procent versus 21 procent)
Ondernemers zijn ongeacht het geslacht te porren om te koken of de kinderen naar school te brengen dan wel te halen. Ook de kinderen naar bed brengen, de tafel dekken en afruimen, afwassen, boodschappen doen en stofzuigen doen beide seksen nagenoeg evenveel. Koken doen beide seksen even graag. Als minst favoriete bezigheid scoren thuis wc schoonmaken en de huishoudelijke administratie overigens even hoog.
De meeste ondernemers houden nog tijd over om te sporten, dertien procent sport niet. De hoogste scores geven fitness (vijftien procent) en hardlopen (tien procent). Het gros van de deelnemers is tot vier uur per week aan het sporten. Al met al kan worden geconcludeerd dat de Nederlandse ondernemer best tevreden is over de verdeling privé en werk. 62 procent geeft aan redelijke tot erg tevreden over de verdeling. Vijftien procent geeft aan dat hij/zij te veel werkt en vindt het jammer dat ze niet wat vaker thuis zijn.

Gebruik social media stagneert  (index...)
Consumenten vinden media nu minder betrouwbaar dan een jaar geleden. Dat blijkt uit het ‘Social Media Impact onderzoek van de ING naar het gebruik en de impact van sociale media, online media (nieuwssites) en traditionele media (tv, radio en dagbladen). Het vertrouwen in de media nam ten opzichte van 2012 met gemiddeld 8 procent af. Jongeren vinden daarbij online- en social media betrouwbaarder dan ouderen. Voor het eerst blijkt dat het gebruik van sociale media in Nederland stagneert. Het gebruik van online media neemt zelfs af. Het vertrouwen in media is in 2013 scherp gedaald ten opzichte van 2012. Er lijken verschillende oorzaken te zijn voor deze daling, aldus ING. Mogelijk zijn consumenten op dit moment in het algemeen onzekerder en wantrouwender.  Dat wantrouwen kan het gevolg zijn van een aantal internethypes  en incidenten, waarbij media ook een belangrijke rol speelden. De afname in consumentenvertrouwen en ook de perceptie dat media negatiever zijn geworden is wellicht van invloed op het vertrouwen dat consumenten hebben in de media. Voor het eerst sinds de opkomst van sociale media stagneert het gebruik. Dat van sociale media platforms is in de breedte vrijwel gelijk gebleven ten opzichte van een jaar geleden, maar Facebook gebruik vertoont nog een lichte groei. Facebook is bovendien net als vorig jaar het meest gebruikte platform, gevolgd door LinkedIn en Twitter. Jong volwassenen (18 – 34 jaar) gebruiken sociale media meer dan volwassenen en ouderen. Van de online platforms worden online nieuwssites (zoals Nu.nl) het meest gebruikt (56% gebruikt deze wekelijks), op de voet gevolgd door de websites van kranten (52 procent). Weblogs, fora en reviewsites worden aanzienlijk minder gebruikt. In het algemeen is het gebruik van online media ten opzichte van 2012 afgenomen. De impact van berichtgeving op sociale media, online nieuwssites, peer platforms en websites van organisaties neemt af naarmate men ouder wordt. Zo zorgen sociale media bijvoorbeeld bij 24 procent van de jongvolwassenen voor gedragsverandering tegen 17 procent bij volwassenen en 7 procent bij ouderen. Jongeren zijn vaker aanwezig op sociale media en de verschillende platformen dan ouderen. Bovendien hebben zij meer vertrouwen in social- en online media dan ouderen. Autoriteit en geloofwaardigheid spelen een belangrijke rol bij de impact van berichten. De afzender van het bericht, de gebruikte argumenten, hoe vaak het bericht bevestigd wordt en het persoonlijke belang van een bericht worden als belangrijkste factoren voor impact gezien. Berichten van afzenders met kennis van het onderwerp zijn ongeveer 6 keer zo impactvol als berichten van mensen zonder kennis van het onderwerp. Opvallend is dat slechts 24 procent van de respondenten aangeeft dat een bericht impact heeft als de toon negatief is. Berichten met een positieve toon worden echter vaker als impactvol gezien (44 procent). Het onderzoek naar de impact van social media is uitgevoerd door Social Embassy en Insites Consulting in opdracht van ING Nederland. Er zijn 1.515 respondenten ondervraagd die representatief zijn voor de bevolking op basis van leeftijd, geslacht en inkomen. Het onderzoek vond online plaats.

Werkgever heeft weinig interesse in gezondheid werknemer  (index...)
89 procent van de Nederlandse werknemers wil dat hun werkgever een gezonde levensstijl stimuleert. In de praktijk blijkt echter dat werkgevers zich niet bezig houden met de gezondheid van hun medewerkers. Dagelijks snoepen en een ongezonde lunch blijkt de realiteit voor werkend Nederland. Dit blijkt uit onderzoek van NationaleVacaturebank onder ruim 1.000 respondenten naar gezondheid op de Nederlandse werkvloer. Op de vraag of hun werkgever een gezonde levensstijl stimuleert, antwoordt 88 procent van de ondervraagden dat hier niets aan wordt gedaan. In een enkel geval (vier procent) moedigt de baas hen aan te stoppen met roken of gezond te lunchen (zes procent). Dit terwijl werkgevers met het stimuleren van een gezonde levensstijl juist de medewerkerstevredenheid kunnen vergroten, ruim één op de drie respondenten (38 procent) zegt het fijn te vinden als hun baas zich hiermee inlaat en ziet het als een extra stok achter de deur. De helft (51 procent) heeft er ook geen problemen mee, maar beslist uiteindelijk zelf of ze de adviezen toepassen. Op de Nederlandse werkvloer wordt flink gesnoept. Bijna de helft (44 procent) van de ondervraagden geeft aan dat er op hun werk dagelijks snoep wordt gegeten. In één op de vijf gevallen is dit wekelijks, bijvoorbeeld bij een verjaardag van een collega. 28 procent zegt dat er sporadisch wordt gesnoept op de werkvloer. In één op de tien gevallen geeft men zelfs aan dat bij hen op het werk iedereen altijd op dieet is. NationaleVacaturebank: "Wat een gezonde levensstijl inhoudt weten we allemaal. Toch wordt deze levensstijl op de werkvloer maar weinig volgehouden. Het is opvallend dat werkgevers hier niet meer mee doen. Door bijvoorbeeld een gezondere lunch aan te bieden of een stoppen-met-roken-programma op te zetten laat de werkgever zien betrokken te zijn bij het welzijn van de werknemer. Dit komt de loyaliteit van de werknemer ten goede."
Naast gezond leven wordt ook sporten niet gestimuleerd op de werkvloer. Iets meer dan één op de tien Nederlanders (dertien procent) krijgt van de werkgever korting op de sportschool. Een heel klein deel van de bazen (vier procent) geeft medewerkers de ruimte om tijdens werktijd, bijvoorbeeld in de lunchpauze, te sporten. Het merendeel van de Nederlanders zegt dat sporten door hun baas niet wordt gestimuleerd (83 procent). 

Hygiëne gewoontes op kantoor onthuld  (index...)
Nederlandse werknemers brengen meer dan 33,5 uur per jaar in de toiletruimte van het bedrijf door, dat zijn maar liefst vier werkdagen. Zo blijkt uit een wereldwijd onderzoek naar hygiëne in kantooromgevingen onder 6.000 kantoormedewerkers. Nu het griepseizoen nadert, brengt Initial de onderzoeksresultaten onder de aandacht van werknemers en werkgevers. Dit om ze bewust te maken van de risico’s van het verspreiden van bacteriën en virussen op de werkvloer. Maar liefst een vierde (25,1 procent) van de Nederlandse werknemers vindt de hygiëne omstandigheden op hun werk beneden peil. Meer dan een vierde (26,9 procent) geeft aan meer tevreden te zijn over hun werk zolang ze op goede hygiëne kunnen vertrouwen. Veel werknemers zijn ook bereid hier zelf een steentje aan bij te dragen en 36,4 procent vindt ook dat het hun eigen verantwoordelijkheid is hun werkplek zo hygiënisch mogelijk te houden. Opvallend is dat meer dan een derde (38,4 procent) van de Nederlandse ondervraagde werknemers toegeeft niet altijd zijn handen te wassen na een toiletbezoek. Werkgevers spelen hierin een belangrijke rol door te voorzien in goede hygiënische faciliteiten op kantoor. Ook bleek dat bijna één op de zeven (14,9 procent) werknemers in het toilet zijn mobiele telefoon gebruikt om op internet te surfen tijdens een sanitaire stop. Eén op de 30 (3,4 procent) werknemers zegt zelfs kranten en magazines te lezen op het toilet, wat de kans op verspreiding van ziektekiemen en bacteriën op de werkplek aanzienlijk vergroot. Meer specifieke resultaten van het onderzoek laten zien dat er ook een verschil is tussen de gewoontes van mannen en vrouwen. Een op de vijf mannen (21,2 procent) geeft toe dat ze hun mobiel gebruiken op het toilet tegenover slechts een op de tien vrouwen (10,7 procent). Mannen surfen ook meer op het internet (6,4 procent versus 4,3 procent) en checken vaker social media (8,4 procent vs. 5,3 procent) op het toilet dan hun vrouwelijke collega’s.
We vergeten soms te makkelijk wat het domino-effect kan zijn van onze dagelijkse handelingen, nu het griepseizoen weer aanbreekt moeten we meer zorg dragen voor goede hygiëne en doen werkgevers er goed aan dit te faciliteren. Bijvoorbeeld door voldoende zeep, mogelijkheden om handen te drogen en desinfecterende producten te bieden in de toiletruimte.

HR kijkt te weinig naar match zzp'er en opdrachtgever  (index...)
Problemen rond het inhuurproces worden onder andere veroorzaakt doordat HR te weinig betrokken is bij de externe inhuur. 26 procent van de zzp’ers denkt dat dit de belangrijkste reden is. Dat blijkt uit onderzoek van FastFlex onder 617 zzp’ers. Een probleem waar zzp’ers bijvoorbeeld mee te maken krijgen is het feit dat opdrachtomschrijvingen van organisaties niet overeenkomen met de werkelijkheid. 66 procent van de zzp’ers zegt dit probleem te herkennen. Daarnaast geeft 58 procent aan dat er bij de matching tussen zzp’er en opdrachtgever te weinig gekeken wordt naar bedrijfscultuur en bijna de helft zegt dat deze mismatch tot slechtere werkprestaties leidt. Uit het onderzoek blijkt ook dat de taken waar HR gespecialiseerd in is, zoals matching van hard skills en soft skills, goede taakomschrijvingen en de match met de bedrijfscultuur, te weinig aan bod komen als het gaat om de inhuur van zzp’ers. Die taak is meestal belegd bij inkoopmedewerkers, die zich met name focussen op uurtarief en hard skills. Hierdoor zit niet altijd de juiste zzp’er op de juiste klus. Om de flexibele schil beter in te richten is samenwerking tussen HR en inkoop noodzakelijk.
Jeroen Groothoff, Sales Manager bij FastFlex: "Zowel organisaties als zzp’ers hebben baat bij een efficiëntere invulling van de flexibele schil. Het is belangrijk dat HR-professionals daarom meer betrokken worden bij het externe inhuurproces. Zij hebben goed zicht op wat voor soort medewerkers, met welke expertise en ervaringen nodig zijn bij welke opdracht. Om HR en inkoop meer te laten samenwerken, hebben zij één centraal platform nodig waarmee ze eenvoudig in contact kunnen komen met zzp’ers en bovendien grip krijgen op het gehele inhuurproces. Op die manier krijgen zowel inkoopmedewerkers als HR-professionals inzicht in wat er leeft onder zzp’ers, waar zij behoefte aan hebben en wie er voor welke opdracht beschikbaar is. Wanneer HR en inkoop hun krachten bundelen, kunnen zij hun organisatie op de juiste manier klaarstomen voor de toekomst."

(c) 19 februari 2020 Vos Interim