x

Nieuwsbrief januari 2014


Geachte mevrouw/heer, hierbij ontvangt u de nieuwsbrief VOS INTERIM. Met vriendelijke groet, Martin Vos

Online media minst betrouwbare internetbron bij het nemen van beslissingen  (index...)
Het internet is een belangrijke informatiebron in de oriëntatiefase van het besluitproces. Opvallend is dat slechts zeven procent van de Nederlanders online informatie afkomstig van media (radio, tv, krant, nieuwssite) als betrouwbare internetbron beschouwen bij het nemen van belangrijke beslissingen. De website van een bekend bedrijf of persoon blijkt de meest betrouwbare internetbron te zijn (27 procent) en websites van overheidsinstanties staan op de tweede plaats (26 procent). Dat blijkt uit onderzoek van QlikTech.
In het onderzoek is aan de Nederlandse consument gevraagd waar zij hun belangrijke beslissingen op baseren. Internetbronnen spelen een belangrijke rol in de oriëntatiefase van het besluitproces, 67 procent laat zich in eerste instantie leiden door informatie op internet. Daarom is het opvallend dat wanneer het er echt op aan komt, de doorslaggevende factor juist niet het internet is, maar ons eigen onderbuikgevoel. 57 procent zegt daar zijn of haar beslissing op te baseren. Slechts twaalf procent geeft aan dat het internet de doorslaggevende factor is bij het nemen van belangrijke beslissingen. Een andere opvallende uitkomst is dat de mening van vrienden niet of nauwelijks meeweegt bij de keuze, slechts twee procent laat de mening van vrienden zwaar meewegen. Tot slot zegt 26 procent de mening van familie of partner doorslaggevend te vinden bij het nemen van een beslissing.
"Het feit dat we onze beslissingen uiteindelijk niet op informatie van internet baseren, komt onder andere doordat we het besluitproces op een natuurlijke manier willen doorlopen en gevonden informatie op een manier willen analyseren die past bij ons natuurlijke denkproces. Toch is ons onderbuikgevoel lang niet altijd de beste raadgever, want beslissingen moeten vaak ook op basis van feiten en harde data genomen worden. Om tot een optimaal besluitproces te komen, zouden we ons onderbuikgevoel daarom wat vaker aan de kant mogen zetten, want de risico’s van het nemen van foute beslissingen zijn vaak niet te overzien," aldus Vincent Peters, RVP & MD Benelux, Eastern Europe, Russia & CIS en MEA bij QlikTech.

Participerend leiderschap toverwoord voor succesvolle organisaties  (index...)
Slechts twee op de vijf organisaties in Nederland zijn er het afgelopen jaar in geslaagd koerswijzigingen succesvol door te voeren. Voor een groot deel zijn succesvolle veranderingen toe te schrijven aan de stijl van leidinggeven die vooral inspirerend moet zijn. Toch wordt bij 40 procent van de grotere bedrijven in Nederland (meer dan 1.000 medewerkers) de directieve leiderschapsstijl gehanteerd, terwijl men weet dat dit niet leidt tot de gewenste en noodzakelijke veranderingen in organisaties. Succesvolle leiders zijn zij, die een heldere koers weten uit te stippelen, deze weten te vertalen voor de medewerkers en hen vervolgens weten te inspireren. Dit blijkt uit onderzoek van Yacht naar het effect van leiderschapsstijl op de wendbaarheid van een organisatie. Gevraagd aan Nederlandse managers wat de belangrijkste aspecten zijn voor een leidinggevende is het antwoord inspireren (68 procent) en aandacht hebben voor de medewerkers (51 procent). Maar in de praktijk wordt anno nu vooral gestuurd op korte termijn onderdelen als kostenbeheersing (61 procent) en klanttevredenheid (51 procent). Aan de zaken die er echt toe doen, wil een manager succesvol zijn, kan men niet toekomen.
Voor een wendbare organisatie is een balans nodig in het sturen op harde en zachte factoren. Het blijkt dat in de minst wendbare organisaties de verhouding tussen het sturen op harde en zachte factoren 80-20 is. In de meest wendbare organisaties ligt die verhouding op 65-35. Wilt u als organisatie wendbaar en dus succesvol zijn, dan is inspirerend leiderschap een voorwaarde: aandacht voor medewerkers en hen betrekken stimuleert het creatief denken over de toekomst van het bedrijf. Deze participerende stijl bevordert  het welzijn van de medewerker en de kwaliteit en kwantiteit van productie of dienstverlening. U bent eenvoudigweg vaak succesvoller als organisatie.

Motivatie(test) voorspelt succes talent  (index...)
Naast kennis en persoonlijkheid is motivatie een belangrijke, meetbare factor voor het bepalen van academisch en werk gerelateerd succes. Over het algemeen wordt aangenomen dat motivatie niet objectief meetbaar is ten behoeve van selectie. 
In een proefschrift ‘Reconsidering manifest needs for the explanation and prediction of individual, team and economic performance’ legt onderzoeker het verband tussen motivatie en individuele, team en economische prestaties. Een wetenschappelijk ontwikkelde test – de Manifest Needs Assessment Questionnaire (MNAQ) – laat zien dat motivatie meetbaar is en een voorspellende waarde heeft voor succes.
De onderzoeker over de uitkomsten van het onderzoek: "Testen wordt steeds belangrijker in Nederland, mede naar aanleiding van de wet ‘Ruim baan voor talent’. Deze wet breidt selectie mogelijkheden uit om de match tussen onderwijsinstelling en student te verbeteren. Er is echter discussie over het nut van testen. Tegenstanders van deze testen stellen dat via het huidige onderwijssysteem al wordt geselecteerd. Mijn onderzoek wijst uit dat naast cognitie, persoonlijkheid en motivatie belangrijke succesfactoren zijn bij academische prestaties. Testen werkt dus aantoonbaar."
In het proefschrift wordt ook stilgestaan bij motivatie in relatie tot economische groei in verschillende landen. Uit in het kader van het proefschrift gehouden onderzoek blijkt dat landen met een hoge economische groei aanmerkelijk hoger scoorden op de  motivatie om competitief te zijn. Onderzoeker Jan Morsch: "Wat blijkt is dat landen als India, China, de Russische Federatie, Indonesië en Mexico veel sterker dan Nederland een behoefte hebben aan competitie. Wij staan van de onderzochte 28 landen op de 27ste plaats waar het gaat om dit type motivatie. In de Nederlandse cultuur wordt je hoofd boven het maaiveld uitsteken nog steeds gezien als iets slechts. Als we echt talent willen ontwikkelen, is het noodzakelijk deze mentaliteit uit onze samenleving weg te halen."

Wendbare medewerkers en organisaties topprioriteit in 2014  (index...)
Mobiliteit van personen is in 2013 ten opzichte van het jaar ervoor een stuk belangrijker geworden voor HR- en finance bestuurders en managers. Zij noemen dit 50 procent vaker als prioriteit dan in 2012. Dat blijkt uit het jaarlijkse onderzoek naar de stand van Human Resources door TNS Nipo en Raet. Mobiliteit staat daarmee op de derde plek van het prioriteitenlijstje van ondervraagden. Een andere stijger op de lijst is flexibilisering van het personeelsbestand. Dit thema wordt vijftien procent vaker genoemd als prioriteit. Beide onderwerpen geven invulling aan de nummer een op de prioriteitenlijst: Strategische Personeelsplanning.
"Organisaties willen lenig en flexibel zijn," geeft de CEO van Raet weer. "Dan kunnen ze makkelijker inspringen op veranderingen in de markt – of het nu gaat om groei, krimp of een verandering in werkzaamheden." Die veranderingen in de markt worden ook voorspeld door de ondervraagde organisaties. 49 procent van hen verwacht het komende jaar te maken te krijgen met krimp van het aantal medewerkers.
Tegelijkertijd zien organisaties de middellange termijn rooskleuriger in. Het toegenomen belang dat wordt gehecht aan mobiliteit, vraagt om werknemers die zich snel kunnen aanpassen en om werkgevers die daarvoor de ruimte en kansen bieden. Uit het onderzoek blijkt dat organisaties hier al hard aan werken, namelijk 26 procent van de ondervraagden geeft ‘Opleiding en Ontwikkeling’ aan als een van de drie prioriteiten op het gebied van HR. Daarmee komt dit onderwerp op plek twee op de prioriteitenlijst.
De interviews met de ondervraagden illustreren dat zij zowel investeren in mobiliteit bij boventalligheid  als in interne mobiliteit voor talent. Bij boventalligheid worden medewerkers uitgerust om binnen of buiten de organisatie een passende nieuwe functie te krijgen, bij Talent Management is groei en doorstroming het doel.

Teamsucces bepaald door vier eigenschappen  (index...)
Uit een onderzoek van PRiMAN blijkt dat het succes van samenwerking van mensen in teams voorspelbaar is op grond van slechts vier persoonlijke eigenschappen (talenten). Deze eigenschappen zijn:doelgerichtheid (mate waarin de persoon behoefte heeft zich te richten op gestelde doelen en resultaten), ontzag (mate waarin de persoon behoefte heeft tegen anderen en hun prestaties op te kijken, te bewonderen en te respecteren), dominantie (mate waarin de persoon behoefte heeft krachtig en dominant op te treden en te handelen) en energie & actie (mate waarin de persoon actie behoeft en beschikt over energie om zaken te ondernemen en doelen te bereiken).
Teams waarvan de leden op deze persoonlijke eigenschappen dicht bij elkaar zitten blijken aanmerkelijk betere resultaten te boeken. Onderzoeker en beroepsmilitair Manuel Dekker presenteerde de resultaten van zijn onderzoek tijdens de conferentie ‘een Kuip vol Talent’ georganiseerd door PRiMAN. De onderzoeker: „Het is een echt big data onderzoek geweest waarbij ik puur op grond van de beschikbare data 35 teams heb geanalyseerd. Negentien daarvan hadden naar het oordeel van de opdrachtgever een productieve samenwerking en zestien een minder productieve."
Volgens de directeur van PriMAN zijn de resultaten best spectaculair te noemen. Feitelijk concludeert de onderzoeker dat het toekomstige succes van samenwerking in teams prima valt te voorspellen. Toepassing van zijn conclusies kan veel impact hebben in de dagelijkse praktijk. Aan de andere kant is dit onderzoek nog maar een eerste stapje in de richting van data gebaseerde besluitvorming in people management.

Modaalverdiener controleert stiekem uitgaven partner  (index...)
Geld blijft een taboe onder Nederlanders, ook tussen partners onderling. We controleren de uitgaven van onze partners (26 procent), sprokkelen in het geheim spaarpotjes bij elkaar (elf procent) en we jokken over bepaalde uitgaven (25 procent). Dat blijkt uit onderzoek van GewoonOverGeld.nl onder ruim 1.000 Nederlanders. Uit het onderzoek blijkt dat we veel over ons financiële leven verbergen voor anderen. Een kwart van de twintigers en dertigers voelt zich onzeker over zijn salaris ten opzichte van collega’s, vrienden, buren of familie. Op latere leeftijd wordt dit minder, maar het landelijk gemiddelde ligt nog altijd op 21 procent. Voor bijna de helft daarvan is dit reden om te liegen over de hoogte van het salaris. Mannen zijn bovendien twee keer zo vaak als vrouwen jaloers op hun partner wanneer deze meer verdient. Vooral jongeren zijn gesloten over hun financiële huishouding. Bijna een kwart van de Nederlanders onder de 35 jaar liegt ‘soms tot regelmatig’ over bepaalde uitgaven. Ook na een lang huwelijk blijft dat het geval: voor stellen tot 50 jaar is dat nog altijd dertien procent. Het lijkt ook uit de data naar voren te komen: geld maakt wellicht niet gelukkig. Van de mensen met een maandinkomen rond de 1.500 euro checkt twee procent in het geniep de uitgaven van zijn partner. Onder modaalverdieners is dat maar liefst 26 procent. Dat is opvallend -als u vermoedt dat uw partner onverantwoorde uitgaven doet- is het beter dit gewoon ter sprake te brengen.
Dezelfde groep mensen die liegt over zijn uitgaven, heeft het vaakst een oude sok met geheim spaargeld. Elf procent van de Nederlanders heeft een secret stash waar ze hun partner niet over vertellen. Ook onder ouderen is dat het geval. In bijna de helft van de gevallen (40 procent) is dat omdat men niet weet of zij altijd bij dezelfde partner blijven. Bijna even zo vaak is dat om te sparen voor een geheim cadeau. 23 procent van de mensen onder de 35 heeft bovendien samen met zijn partner geheime hoeken en kiertjes waar ze geld in wegstoppen. Het landelijk gemiddelde ligt op vijftien procent.

Aanhoudende crisis maakt zzp’er kwetsbaar  (index...)
Zzp’ers merken dat de economische crisis nog niet voorbij is. Voor de meeste ondernemers zat er in 2013 geen verbetering in en ook dit jaar moet men zich weer flink inzetten. Vergeleken met 2012 is het aandeel declarabele uren iets gedaald. Als het inkomen uit de onderneming geheel zou wegvallen, houdt de helft van de  huishoudens van zzp’ers nog voldoende inkomsten over om in het levensonderhoud te voorzien. Dit blijkt uit een meting van Panteia onder 3.000 deelnemers in het zzp-panel. Bijna driekwart van de ondernemers heeft geen andere inkomstenbron naast het inkomen uit de onderneming. Gemiddeld maakt het inkomen uit de onderneming 86 procent uit van het persoonlijk inkomen van de ondernemer en 61 procent van het gezinsinkomen. Als het inkomen uit de onderneming geheel zou wegvallen, heeft een op de twee huishoudens van de ondernemers niet voldoende inkomsten over om in het levensonderhoud te voorzien, omdat eventuele andere inkomsten daarvoor ontoereikend zijn. Toch zou slechts een op de acht ondernemers liever in loondienst zijn. De omzet blijft voor het tweede jaar op een rij onveranderd. Ruim de helft van de zzp’ers  realiseerde in 2012 een omzet tot 50.000 euro en één op de drie realiseerde een omzet tot 25.000 euro. Ook is het inkomen dat de ondernemers met het bedrijf verdienen onveranderd. Eén op de vier ondernemers verdient met het bedrijf een gemiddeld netto maandinkomen van minder dan 1.250 euro. Eén op de vijf verdient met het bedrijf meer dan 3.000 euro per maand. In dit onderzoek is specifiek aandacht besteed aan de mate waarin de ondernemers investeren in scholing. Ondernemers die in 2012 aan één of meer opleidingen, cursussen of trainingen hebben deelgenomen, besteedden daar in dat jaar gemiddeld ongeveer 2.400 euro aan. De meeste ondernemers vinden dat men in het algemeen voldoende tijd aan opleiding of bijscholing besteedt. Ondernemers die meer tijd aan opleiding of bijscholing zouden willen besteden, willen dat meestal doen met het oog op het verbreden van de competenties om breder inzetbaar te zijn. Het up-to-date houden van de beroepscompetenties komt op de tweede plaats. De laatste keer dat de ondernemers hebben deelgenomen aan een opleiding, cursus of training is gemiddeld iets meer dan zes jaar geleden.

Eén op drie Nederlanders blundert tijdens sollicitatie  (index...)
Blunderen tijdens een sollicitatiegesprek gebeurt nog met grote regelmaat, namelijk één op de drie werkzoekenden zegt flaters te hebben geslagen tijdens sollicitatiegesprekken. Ook zijn er werkgevers fouten, vacatureteksten sluiten vaak niet aan bij de werkelijke inhoud van de baan. Dit blijkt uit onderzoek van NationaleVacaturebank onder 2.136 respondenten. Eén op de drie respondenten geeft aan wel eens een blunder te hebben begaan tijdens het sollicitatiegesprek. Het niet goed inlezen in de functie is de grootste blunder, gevolgd door een verkeerde kledingkeuze en te laat komen op een gesprek. Maar ook werkgevers maken volgens de respondenten fouten tijdens de sollicitatieprocedure. De grootste ergernissen zijn het feit dat sollicitatiebrieven niet worden beantwoord of dat interviewers het sollicitatiegesprek als een kruisverhoor voeren.
Op de vraag of de werkzaamheden uiteindelijk ook aansloten bij de vacature waar op was gesolliciteerd, antwoordt 34 procent instemmend. Bijna de helft van de respondenten vindt dat de werkelijke functie niet helemaal in lijn is met de vacaturetekst. Van deze respondenten geeft een op de vijf zelfs aan dat de baan behoorlijk of heel anders is dan werd voorgespiegeld.
Wanneer de baan en de vacaturetekst niet helemaal aansluiten gaat het in de meeste gevallen om een onduidelijke weergave van:
  • Werkzaamheden (45 procent)
  • Werksfeer (zeventien procent)
  • Secundaire arbeidsvoorwaarden (twaalf procent)
Directeur van NationaleVacaturebank: "Uit dit onderzoek blijkt dat het realistisch omschrijven van de functie in een vacaturetekst toch erg belangrijk is. Enerzijds willen werkgevers een passend persoon voor de baan, anderzijds wordt een tekst ook vaak gezien als een visitekaartje voor het bedrijf. Uiteindelijk gaat het natuurlijk om de beste match tussen de vacature en de sollicitant. Aan beide kanten valt hier winst te behalen. Betrek als werkgever mensen in de organisatie, die de functie goed kennen, bij het opstellen van de vacaturetekst. Anderzijds moet u zich als sollicitant ook verdiepen in het bedrijf waarbij je solliciteert en de functie. Dus doorvragen over taken, arbeidsvoorwaarden of de werksfeer is echt cruciaal om niet voor verrassingen komen te staan nadat je begonnen bent in de nieuwe functie."

Grootste blunders van sollicitanten:
1. Niet goed ingelezen;
2. Kleding niet afgestemd op het bedrijf;
3. Te laat komen.

Grootste ergernissen van sollicitanten: 
1. Geen antwoord op de sollicitatiebrief;
2. Eerste gesprek lijkt op een kruisverhoor;
3. Functieomschrijving sluit niet aan bij functie.

Thuiswerken geen oplossing voor het huishouden  (index...)
Werken vanuit huis mag dan handig zijn om tussendoor huishoudelijke klusjes te kunnen doen, toch is dat voor weinig mensen reden om inderdaad vanuit huis te gaan werken. Wel hebben mensen behoefte aan een betere balans tussen werk en privé. Daarvan is al sprake bij meer flexibiliteit met betrekking tot de werklocatie en bij een kortere reistijd naar de werkplek. Dat blijkt uit een onderzoek van Regus onder 1.000 werkende Nederlanders. Ongeveer driekwart van de ondervraagden is het niet eens met de stelling dat mensen deels vanuit huis werken om het huishouden te doen. Als mensen al thuis werken en daar onder werktijd iets privé doen, voelt 35 procent zich verplicht extra te werken. Vooral mannen voelen dat zo (38 procent van de mannen tegenover 29 procent van de vrouwen). Commercieel directeur bij Regus Nederland geeft weer: "In deze tijd is flexibiliteit van werktijden en werkplek enorm belangrijk. Zo hou je je personeel tevreden, is er sprake van minder stress en zijn ze uitgerust om hun taak uit te voeren. Dat is ook wat wij horen op de flexibele werkplekken waar al die duizenden mensen werken. Managers zouden vertrouwen moeten hebben in het feit dat flexibele werkplekken belangrijk zijn om productief te kunnen werken.’’
Zeker de helft van de ondervraagden zou graag wat langer op bed liggen. Nu kunnen ze dat niet, blijven ze langer op of stappen ze vroeger uit bed dan ze lief is, om zo de balans tussen werk- en privéleven in tact te houden. Die balans zou al een stuk verbeteren als ze een kortere reistijd naar de werkplek zouden hebben, stelt 45 procent van de ondervraagden. Eenzelfde percentage wil meer flexibiliteit met betrekking tot de werklocaties, zodat ze meer tijd aan gezin of partner kunnen besteden.
Meer flexibiliteit zou in ieder geval stress verminderen en die is door de economische crisis toch al toegenomen, zo bleek uit eerder onderzoek van Regus. Zeker 35 procent van de ondervraagden heeft wel eens ouderavonden of verjaardagen van hun kinderen moeten missen omdat ze moesten werken. Hetzelfde aantal gaat ook wel eens via een videoverbinding in contact met de kinderen om ze hoe dan ook te zien.

Commissaris anno 2013: ‘Evaluatie moet nu echt beter’  (index...)
De Raad van Commissarissen (RvC) van de Nederlandse organisatie is onvoldoende toegerust met HR-kennis en dient verder versterkt te worden. Ook vindt de commissaris dat het evaluatieproces van het functioneren van de RvC op de schop moet. Dat blijkt uit het jaarlijkse onderzoek onder commissarissen van Grant Thornton, waar dit jaar 134 commissarissen en 23 secretarissen van RvC's aan deelnamen. Naar verwachting leidt de toenemende aandacht voor evaluatie de komende jaren tot meer mutaties in de samenstelling van RvC’s. De professionalisering in de wereld van de RvC’s is al enkele jaren gaande. Volgens de Nederlandse commissarissen zijn er volop verbeteringen wenselijk als het gaat om het functioneren van het belangrijkste toezichthoudende orgaan van organisaties, vooral op het gebied van evaluatie. Een van de opvallendste conclusies uit het Grant Thornton onderzoek onder commissarissen, uitgevoerd door onderzoekers van de VU, is dat commissarissen bewuster en systematischer aan de professionalisering van hun ‘vak’ werken. De gemiddelde commissaris is kritischer over competenties die hij/zij voor de RvC nodig acht. Een toenemend belang voor HR-kennis als competentie staat daarbij voorop, gevolgd door verbeteringen op het gebied van ICT, marketing, risicomanagement, internationale kennis en ervaring met veranderingsprocessen. Deze wens tot verbetering leeft sterker bij de secretaris en overige RvC-leden, minder bij de RvC-voorzitter. Volgens de onderzoekers hangt dit verschil samen met de positie van de RvC-voorzitter, die met meer belangen rekening moet houden.
Een tweede aandachtspunt betreft het selectieproces van commissarissen, hierover bestaat onder de respondenten veel onduidelijkheid. Commissarissen geven aan dat er ‘een wisselende aanpak’ wordt gehanteerd - vooral bij de voordracht commissaris - en dat er ‘volgens informele processen’ wordt gehandeld. Commissarissen prefereren juist een gestructureerde, vastomlijnde aanpak, waarbij werving via het eigen netwerk weer nadrukkelijk een complementair onderdeel van de procedure wordt. Volgens de onderzoekers toont dit aan dat dienstverlening van executive search bureaus ‘geen onverdeeld succes is’.
Een andere, opvallende conclusie is dat de commissaris afscheid heeft genomen van ‘de statische RvC’. Commissarissen vinden dat de RvC moet meebewegen met de organisatie. In de praktijk betekent dat méér betrokkenheid bij het opstellen en bepalen van doelstellingen en strategie. In turbulente tijden zal de RvC dichter op de Raad van Bestuur opereren en met een hogere vergaderfrequentie. Daarnaast is er een sterke behoefte aan verbetering van het proces van selecteren en benoemen van RvB-leden en het evalueren van de RvC. Met name die laatste verbetering wordt zeer breed gedragen onder commissarissen. Commissarissen dienen, in overeenstemming met de ambities en het toekomstperspectief van de organisatie, over de juiste competenties en toegevoegde waarde te beschikken.
Er zijn commissarissen met aanvullende competenties nodig, variërend van kennis van HR- en veranderingsprocessen tot de aanwezigheid van kritisch denken en oordeelsvermogen.

Gebruik social media nadert hoogtepunt  (index...)
Het aantal gebruikers van social media in Nederland neemt nog wel toe maar nadert zijn hoogtepunt. Het gebruik in uren van vooral Facebook nam in 2013 wel toe. LinkedIn kan in 2014 de meeste groei verwachten. Dat blijkt uit onderzoek naar de kennis, houding en het gedrag rondom social media onder 8.500 Nederlanders van Multiscope.
In 2013 was er nog groei te zien binnen de sociale netwerken. Deze was echter minder dan voorgaande jaren. Het aantal gebruikers van social media nadert zijn hoogtepunt. De winst valt voor netwerken niet meer te halen uit de groei van het aantal accounts. Groeien kunnen de netwerken wel in het aantal uren dat gebruikers er aan besteden. Gebruikers verwachten in de toekomst vaker gebruik van social media te gaan maken.
Facebook blijft het bekendst, 94 procent van de mensen kent dit netwerk. Nummer twee is Youtube (82 procent) en het derde bekendste netwerk is Twitter (79 procent). In vergelijking met 2012 steeg de bekendheid van Instagram en Pinterest het hardst. De naamsbekendheid van Instagram steeg met 25 procent, die van Pinterest met achttien procent.
Facebook, dat al het grootste netwerk was, groeide het hardst in 2013. Het aantal gebruikers is het afgelopen jaar met zeven procent gestegen. Die stijging is fors minder dan tussen 2010 en 2012, toen het gebruik met 44 procent steeg. Het lijkt er op dat Facebook hier zijn hoogtepunt heeft bereikt. Ook bij andere netwerken is de groei in gebruikers er uit. Youtube steeg nog maar drie procent ten opzichte van 2012 en Google+ een procent. Het aantal mensen dat Twitter gebruikte (zelf posten of berichten van anderen lezen) daalde zelfs met een procent. Na Facebook steeg het aantal gebruikers van LinkedIn met vijf procent het meest.
Het totaal aantal uren dat men spendeerde op social media steeg met ruim 39 procent. Deze stijging is vooral te danken aan het aantal uren dat we besteden aan Facebook en aan de lichte toename van het aantal gebruikers van social media. In 2012 zat een gebruiker gemiddeld vijf uur per week op Facebook, dit jaar is dat zes uur en tien minuten. Het aantal actieve uren op LinkedIn steeg ook, in tegenstelling tot het aantal uren dat aan Youtube, Twitter en Google+ besteed werd. Bij deze netwerken daalde dat aantal.
Ondanks dat het aantal gebruikers niet meer explosief stijgt, en het aantal besteedde uren voor een aantal netwerken aan het afnemen is, denken gebruikers zelf in 2014 meer gebruik te maken van social media. Vooral LinkedIn en Google+ kunnen rekenen op een toename van het gebruik. 21 procent van de gebruikers zegt LinkedIn meer te gaan gebruiken, tegenover slechts zes procent die zegt komend jaar minder vaak op het netwerk aanwezig te zijn. Een verschil van vijftien procent. Bij Google+ is dat verschil tien procent in het voordeel van degenen die zeggen het vaker te zullen gaan gebruiken. Ook Twitter en Youtube kunnen een groei verwachten. Facebook kan een lichte groei verwachten (twee procent). Vorig jaar was dat echter nog elf procent, ook daar daalt de groei dus.
Ten opzichte van 2012 is men zich minder zorgen gaan maken over zijn privacy bij het gebruik van social media. In 2012 vond 26 procent dat social media een gevaar vormde voor zijn privacy, dit jaar is dat nog 22 procent. Eén op de tien gebruikers leest vooral berichten van anderen, maar post zelf nooit iets. Twaalf procent noemt zich een actieve gebruiker en post veel. Contact houden blijft voor veel mensen de belangrijkste reden om social media te gebruiken. Ruim een derde gebruikt social media vooral als aangenaam tijdverdrijf. Eén op de tien gebruikt zijn account om de kinderen in de gaten te houden.


Veel goede voornemens, weinig worden volgehouden  (index...)
Uit onderzoek uitgevoerd door Herbalife blijkt dat Nederlanders erg goed zijn in het genieten van de feestmaand, maar dat ze minder discipline hebben als het aankomt op het oppakken van de gezonde levensstijl. 
71 procent van de respondenten voelt zich niet schuldig over hun eet-, drink- en sportgedrag tijdens Sinterklaas, Kerstmis en oudjaarsdag, maar 64 procent wil dan wel per 1 januari aan de slag met goede voornemens ten aanzien van sport en voeding. Hoewel de intentie er is, laat de volharding nog wat te wensen over, slechts 32 procent van de ondervraagden houdt de gezonde goede voornemens vol. Daarom delen we graag wat tips hoe deze voornemens wel vol te houden zijn, met een speciale bijdrage van Nederlands bekendste zwemcoach Jacco Verhaeren.
Tijdens de feestdagen vergeet ruim de helft van de Nederlanders hun gezonde gewoonten en bijna alle respondenten (94 procent) sporten dan ook wat minder en eten en drinken wat meer dan anders. Gezien het feit dat veel mensen dan ook hun goede voornemens weer snel aan de kant schuiven, is het de vraag of voornemens überhaupt nut hebben. Uit het onderzoek blijkt dat 40 procent van de 60-plussers niet aan goede voornemens doet, terwijl ongeveer een derde van de Nederlanders tussen de zestien en  60 jaar geen goede voornemens heeft. Ook blijkt dat 60-plussers het meeste doorzettingsvermogen hebben, want 28 procent van hen houdt vast aan hun voornemens, terwijl slechts veertien procent van de jongeren onder de 30 evenveel wilskracht toont. Het lijkt erop dat volharding met de jaren komt, al zijn het misschien wel mislukte goede voornemens die wijsheid bieden en stellen ouderen daardoor reëlere doelen. Maar hoe zorgt iedereen ervoor dat zij in 2014 hun gezonde goede voornemens volhouden?
De onderzoeksresultaten laten zien dat er verschillende redenen zijn waarom de 68 procent van de respondenten met goede voornemens ten aanzien van sport, voeding en (gewicht)beheersing deze al snel weer laten varen. Bijna de helft geeft aan dat zij een coach of buddy missen om hen te motiveren en ondersteunen; daardoor ontbreekt ook het sociale gedeelte van de goede voornemens. 28 procent mist snel resultaat en nog eens 28 procent begint eigenlijk gewoon nooit aan hun voornemens, terwijl 23 procent 'gewoon geen zin' heeft.

Mkb'er stuurt op cashflow, nauwelijks op cijfers  (index...)
Veel mkb-ondernemers houden prima de vinger aan de pols als het gaat om de bedrijfsinkomsten en -uitgaven. Toch laten ondernemers veel mogelijkheden liggen om nog slimmer en effectiever (bij) te sturen. Dat blijkt uit onderzoek van flynth en MKB-Nederland. Ondernemers die bewust en proactief met een ondernemingsplan werken, blijken in de praktijk succesvoller. Ruim 500 bedrijven deden in 2013 de scan 'Sturen op cijfers' op www.mkbservicedesk.nl. Aan de hand van de scan meten Flynth en MKB-Nederland regelmatig hoe goed mkb-ondernemers de eigen bedrijfsvoering en strategie in de gaten houden. De ondernemers scoren gemiddeld een 6,8. Hieruit blijkt dat zij redelijk goed op koers liggen, maar er zeker ruimte is voor verbetering.
Ook voor ondernemers geldt: regeren is vooruitzien. Toch valt op dat mkb-ondernemers weinig 'overall' structuur aanbrengen. De ondernemers beoordelen zichzelf met een onvoldoende (4,6) als het gaat om het gebruik van een actueel ondernemingsplan om het bedrijf te sturen. Van een jaarbegroting wordt meer en beter gebruik gemaakt (6,4), waarbij blijkt dat men vooral stuurt op liquiditeit. Ondernemers geven zichzelf een ruime voldoende (8 plus) op het scherp zijn op in- en uitgaande geldstromen, het saldo van de rekening courant en het debiteurenbeheer scherp op het netvlies. Ook vinden ze dat ze voldoende snel actie ondernemen als een debiteur te laat betaalt (7,1). Ondernemers vinden dat ze te weinig de eigen financiële resultaten met die van branchegenoten vergelijken om mogelijkheden voor verbetering op te sporen (rapportcijfer 5).
MKB-Nederland en Flynth waarschuwen dat sturen op cashflow vooral reactief ondernemen betekent; hiermee loopt de ondernemer aanzienlijke kans om achter de feiten aan te lopen. Mogelijke structurele problemen komen niet aan het licht, laat staan mogelijke kansen. Illustratief is dat, ondanks financieel zware tijden met omzetdalingen in de volle breedte van het mkb, de meeste bedrijven zichzelf een stevige omzetgroei als doel voor 2013 hebben gesteld, waarbij de branche financiële dienstverlening wel heel ambitieus is met een omzetgroei van 56 procent Dat een groot deel van de ondernemers wel werkt met een begroting, is een goede stap in de goede richting. Een begroting is niets anders dan het doorrekenen van toekomstplannen, waarbij zwakke plekken en risico's zichtbaar en vooraf helder wordt wat wel en niet haalbaar is. Door maandelijks de gerealiseerde cijfers te vergelijken met de begroting, ziet de ondernemer eventuele problemen (maar ook kansen) in een vroeg stadium aankomen. Zo kan hij sturen op cijfers, door te bepalen welke uitgaven wel of niet gewenst of noodzakelijk zijn.
Een onderdeel van sturen op cijfers is sturen op de kostprijs. Waar de ondernemer geen of weinig invloed heeft op de verkoopprijs - deze wordt bepaald door de markt - heeft hij wel invloed op de kostprijs. Een bedrijf maakt immers winst als de kostprijs lager is dan de verkoopprijs. Het is daarom belangrijk om op de kostprijs te sturen en deze zo laag mogelijk te houden.
Wie met een ondernemingsplan werkt en stuurt op cijfers, heeft veel meer mogelijkheden als het gaat om financiering. Het ondernemingsplan maakt duidelijk welk bedrag aan financiering nodig is. Zowel de bank als andere financiers stellen een goed ondernemingsplan inclusief begroting als voorwaarde voor financiering. Want daarmee laat de ondernemer zien waarin met het geleende geld wordt geïnvesteerd en wat het rendement wordt. Nu het steeds lastiger wordt om krediet te krijgen, is sturen op cijfers steeds belangrijker.

(c) 3 April 2020 Vos Interim